Aangifte personenbelasting op dieet
19 maart 2026 Vandaag werd het nieuwe aangifteformulier personenbelasting gepubliceerd op de website1 van de FOD Financiën. De aangifte van dit jaar, 2026, gaat over de inkomsten en uitgaven van vorig jaar, 2025. De nieuwe Vlaamse aangifte telt nog 780 codes. Dat is een forse daling, met 59 codes. Ook de Waalse en Brusselse aangiftes krimpen, met respectievelijk 47 en 43 codes. Voor het eerst sinds 2015 duikt de aangifte terug onder de kaap van 800 codes. De schrapping van een boel federale en Vlaamse belastingverminderingen en -vrijstellingen, samen met de sanering van de federale vastgoedfiscaliteit, zorgen voor een afgeslankte aangifte. Less is more…
De nieuwe meerwaardebelasting en de hervorming van de personenbelasting die pas zullen gelden vanaf dit jaar, en waardoor de aangifte weer wat zal aandikken, hebben logischerwijze nog geen impact op de huidige aangifte met betrekking tot de inkomsten van vorig jaar.
We overlopen de wijzigingen in de nieuwe aangifte.
- Einde overgangsregeling ‘oudere ten laste’ (vak II) Vanaf deze aangifte kunnen inwonende (groot)ouders, broers en zussen die ouder zijn dan 66 jaar (op 1 januari 2026) nog enkel fiscaal ten laste worden genomen met recht op de verhoogde belastingvrije toeslag van € 5950, als zij zorgbehoevend zijn, d.w.z. een verminderde zelfredzaamheid van ten minste 9 punten hebben (rubriek B4 van vak II). Iemand die zich niet zelfstandig kan verplaatsen én niet zelfstandig kan eten én zich niet zelfstandig kan wassen en kleden, is zorgbehoevend. Lang niet iedere ‘oudere ten laste’ is dat. De overgangsregeling waardoor ook een inwonende niet zorgbehoevende oudere nog recht kon geven op een hogere belastingvrije toeslag en in deze rubriek als ten laste kon worden aangegeven, liep vorig jaar af. Vanaf deze aangifte kan een niet zorgbehoevende oudere nog slechts recht geven op de gewone belastingvrije toeslag voor ‘andere persoon ten laste’ van € 1980, op voorwaarde dat hij geen of nauwelijks bestaansmiddelen, zoals een pensioen, geniet. Door de uitdoving van de overgangsregeling zijn 3 aangiftecodes geschrapt. Van de ruim 100.000 ouderen die in deze rubriek in het verleden werden aangegeven, komt er vandaag nog slechts een minderheid van een kleine 20.000 zorgbehoevende ouderen in aanmerking als ‘oudere dan 66 jaar ten laste’ met recht op de verhoogde toeslag. De tenlasteneming is zo de facto beperkt tot de situaties van mantelzorg.
2.
Einde aanvullende kostenforfait voor verre verplaatsing (vak IV)
Met de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 schrapt de federale regering vanaf 2025 – aangifte van 2026 – een boel belastingvrijstellingen en -verminderingen. Dat laat
vooral zijn sporen na in het vak X (belastingverminderingen) en de vakken XVII en XVIII (winst en baten van zelfstandigen), zie verder, maar ook in het vak IV (bezoldigingen van werknemers).
Zo is het aanvullende beroepskostenforfait voor werknemers met een woon-werktraject van minstens 75 km enkele rit, afgeschaft en kan de aftrek van dit ‘forfait voor verre verplaatsingen’ niet meer worden gevraagd in vak IV van de aangifte.
3.
Einde koopkrachtpremie (vak IV en XVI)
De rubriek “voor vrijstelling in aanmerking komende koopkrachtpremie” is geschrapt in vak IV (werknemers) en vak XVI (bedrijfsleiders) van de aangifte. De tot maximaal € 750 vrijgestelde premie kon door ondernemingen die goede resultaten behaalden tijdens de (vorige) energiecrisis, aan hun werknemers en sommige bedrijfsleiders worden betaald in 2023 en 2024, maar niet meer in 2025.
Ook de belastingvrijstelling van de tussenkomst die een werkgever doet in een personal computer (PC) die zijn werknemer privé aankoopt, is afgeschaft. Maar omdat de afschaffing niet raakt aan werkgeverstussenkomsten gedaan vóór oktober 2025, zal de vrijstelling pas volgend jaar uit vak IV verdwijnen. Uitstel van executie dus.
4.
Relance-overuren (vakken IV en XVI) Net als in 2023 en 2024 zijn in 2025 vrijwillig gepresteerde overuren zonder overwerktoeslag, voor een maximumaantal van 120 uren vrijgesteld van belasting. De vrijgestelde bezoldigingen voor ‘relance-overuren’ van 2025 moeten, ter controle, naast nieuwe codes worden aangegeven in rubriek 13a van vak IV (werknemers) of in rubriek 7a van vak XVI (bedrijfsleiders die tevens werknemer zijn). De vrijstelling wordt beperkt tot 120 overuren per jaar. De nog niet benutte vrijstelling voor overuren gepresteerd in 2023 en/of 2024 die pas betaald zijn in 2025, kan nog worden gevraagd in de oude rubrieken (13b en c van vak IV of 7b en c van vak XVI).
De rubrieken voor overuren gepresteerd in 2022 zijn uit de aangifte verdwenen. Voor die overuren kan geen vrijstelling meer worden gevraagd.
5.
Onderhoudsuitkeringen (vakken VI & VIII)
Ontvangen onderhoudsuitkeringen worden belast en aangegeven in vak VI. Betaalde onderhoudsuitkeringen worden afgetrokken van het inkomen en aangegeven in vak VIII. Formeel wijzigt er niets in die vakken omdat altijd het werkelijk ontvangen of betaalde bedrag moet worden aangegeven, maar de fiscus zal vanaf deze aangifte nog slechts 70 procent, in plaats van 80 procent, van het aangegeven bedrag belasten of van het inkomen aftrekken. Volgend aanslagjaar – aangifte 2027 – daalt dat percentage verder tot 60 procent en vanaf aanslagjaar 2028 tot 50 procent (Wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025).
6.
Liquidatiereserve (vak VII)
Kleine vennootschappen kunnen met hun winst een liquidatiereserve aanleggen. De vennootschap betaalt 10 procent belasting of “afzonderlijke aanslag” op die reserve. Die aanslag is bevrijdend. Bij latere ‘liquidatie’ of vereffening van de vennootschap moet er dan geen bijkomende belasting meer worden betaald op de winst- of dividenduitkering. Er is echter wel een bijkomende taxatie als de reserve wordt uitgekeerd vóór de liquidatie van de vennootschap. Hoeveel hangt af van het tijdstip van de dividenduitkering. Zijn er minder dan vijf jaar verstreken tussen de aanleg van de reserve en de uitkering, dan bedraagt de bijkomende personenbelasting (en roerende voorheffing) 20 procent. Bij uitkering na vijf jaar bedraagt de heffing slechts 5 procent. Die tarieven gelden voor de uitkeringen gedaan vóór 29 juli 2025. De programmawet van 18 juli 2025 voert echter een nieuw belastingtarief in voor de recentere uitkeringen, sinds 29 juli: 6,5 procent wanneer er drie jaar maar nog geen vijf jaar verstreken zijn tussen de aanleg van de reserve en de uitkering. Het oude voordeeltarief van 5 procent blijft gelden voor uitkeringen na vijf jaar, maar enkel voor liquidatiereserves aangelegd vóór 2026. Voor reserves aangelegd vanaf 2026 gelden nog slechts twee tarieven: 30 procent bij uitkering minder dan drie jaar na de reserve-aanleg en 6,5 procent bij uitkering na drie jaar. Het 5 procent-tarief dooft dus uit.
Het nieuwe tarief van 6,5 procent is nu voor het eerst opgenomen in de aangifte, zowel in rubriek A1a4 van VII (roerende inkomsten) voor de dividenduitkering waarop bevrijdende roerende voorheffing (RV) is ingehouden en die facultatief aan te geven is, als in rubriek A2c4 voor de dividenduitkering waarop geen RV is ingehouden – bv. uitkering uit het buitenland – en die verplicht aan te geven is. Goed voor in totaal 4 nieuwe aangiftecodes. Hetzelfde gebeurt in vak XV (diverse inkomsten) voor de aangifte van ‘vergoedingen voor ontbrekende coupon’ die vanaf deze aangifte ook kunnen worden belast tegen 6,5 procent.
Merk op dat het ontwerp van programmawet (DOC56 1378/001), dat de maatregelen genomen in het kader van het begrotingsakkoord 2026 uitvoert, het tarief van 6,5 procent verhoogt tot 9,8 procent voor uitkeringen vanaf 1 april, of later. De precieze inwerkingtreding hangt af van de publicatie van de nieuwe wet.
7.
Carried interest (vak VII)
Ook de tweede wijziging in vak VII is het gevolg van de programmawet van 18 juli 2025, die een nieuw fiscaal regime invoert voor inkomsten van carried interest.
‘Carried interest’ is de algemeen gebruikte term voor de omschrijving van het aandeel in de winst dat een beheerder van een private equity- of investeringsfonds ontvangt als vergoeding voor het beheer van dat fonds. Nadat beleggers in het fonds hun geïnvesteerd kapitaal, verhoogd met een rendement, terugkrijgen, strijkt de fondsbeheerder – werknemer of bestuurder van een investeringsfonds – ook een deel van de winst op, doorgaans via de toekenning aan de beheerder van aandelen(opties). Het aan de beheerder toegekende winstaandeel, dat vaak disproportioneel is ten opzichte van zijn inleg, wordt carried interest genoemd.
Vóór 29 juli 2025 kende carried interest geen specifiek fiscaal kader. Technisch neemt de interest de vorm aan van een dividend of een meerwaarde, belastbaar als roerend of divers inkomen, maar de interest kon door de fiscus ook worden gekwalificeerd als beroepsinkomen omdat ze een bijkomende beloning vormt voor mogelijk beroepsmatige prestaties van de fondsbeheerder. Evengoed kon de interest worden vrijgesteld als meerwaarde gerealiseerd binnen het normaal beheer van privévermogen. In de praktijk is er betwisting over de juiste kwalificatie en fiscale behandeling van carried interest.
Met het oog op meer uniformiteit en rechtszekerheid wordt het inkomen van carried interest toegekend vanaf 29 juli 2025, in de personenbelasting aangemerkt als een aparte categorie ‘roerend inkomen’ belastbaar tegen het afzonderlijk tarief van 25 procent (PB en RV). Daarom is carried interest nu ook voor het eerst als zodanig opgenomen in de nieuwe aangifte, zowel in rubriek A1b van VII voor het ‘carried interest’-inkomen waarop bevrijdende RV is ingehouden en dat facultatief aan te geven is, als in rubriek A2b voor het inkomen waarop geen RV is ingehouden en dat verplicht aan te geven is. Ook goed voor 4 nieuwe aangiftecodes.
Het nieuwe belastingtarief van 25 procent is lager dan het normale tarief van 30 procent op roerende inkomsten. De wetgever motiveert die afwijking als volgt: “carried interest heeft geen periodiek karakter. Over het algemeen worden deze inkomsten in één keer uitbetaald, vaak op het moment waarop het fonds wordt geliquideerd. De aandelen of deelbewijzen die aanleiding geven tot carried interest zijn bovendien over het algemeen achtergesteld aan de andere instrumenten aangehouden door de gewone investeerders. Deze afwezigheid van regelmaat in het inkomen, evenals het hoge bedrag van het betaalde inkomen, verantwoorden het instellen van een afzonderlijk tarief lager dan 30 pct.” (Memorie van toelichting DOC56 0909/001, 6).
8.
Sanering federale vastgoedfiscaliteit (vak IX)
De federale regering hervormde de fiscaliteit van de ‘niet eigen woning’ met de wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025. Voor de ‘eigen woning’ zijn de gewesten bevoegd en verandert er niets, of nauwelijks iets. Voor de ‘niet eigen woning’ zoals een tweede verblijf, een vakantiewoning of een investeringspand, al dan niet verhuurd, is de federale overheid bevoegd.
De impact van de hervorming op de aangifte is groot. Van de 31 federale aangiftecodes die de vorige aangifte nog telde voor het aanvragen van de voordelen voor vastgoedleningen, blijven er in de huidige aangifte nog slechts 6 codes over.
Federaal luik vak IX
aj 2025 aj 2026
Volgende federale voordelen verdwijnen of transformeren:
•
intrestaftrek
Intresten betaald voor een lening gesloten voor een ‘niet eigen woning’ – dat hoeft geen hypothecaire lening te zijn – zijn tot en met aanslagjaar 2025 aftrekbaar van het inkomen van een onroerend goed. Dat inkomen is het geïndexeerde en verhoogde kadastrale inkomen of het belastbare huurinkomen. De aftrek neutraliseert in de praktijk vaak de personenbelasting op een tweede verblijf. Die federale gewone intrestaftrek moet worden onderscheiden van de vroegere federale bijkomende intrestaftrek die sinds de zesde staatshervorming (2014) doorleeft als de federale bijkomende vermindering voor intresten.
Beide federale voordelen – de gewone intrestaftrek en de bijkomende vermindering voor intresten – zijn afgeschaft vanaf aanslagjaar 2026 en dus niet meer terug te vinden in de nieuwe aangifte. De afschaffing geldt niet enkel voor nieuwe maar ook voor álle lopende leningen.
Het financieel verlies van de bijkomende vermindering voor intresten is verwaarloosbaar, omdat die vermindering een zeer beperkte toepassing kent: ze geldt nog enkel voor leningen die in beginsel gesloten zijn vóór 2005 voor de financiering van een woning die ooit de eigen woning was maar die uiterlijk in 2015 ‘niet eigen’ geworden was. Bovendien is de vermindering intussen meestal uitgedoofd.
Het verlies van de gewone intrestaftrek daarentegen kan oplopen tot duizenden euro per jaar, en raakt 500.000 belastingplichtigen.
Noteer dat de federale aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen in vak IX wel behouden is (rubriek II 3 van het federale luik van vak IX).
•
Groene lening
Intresten betaald voor groene leningen – dat zijn leningen gesloten in de periode van 2009 tot en met 2011 voor de financiering van energiebesparende investeringen zoals zonnepanelen – geven tot en met aanslagjaar 2025 recht op een specifieke belastingvermindering van 30 procent. Ook die belastingvermindering is afgeschaft in de nieuwe aangifte. De vanaf 2025 betaalde intresten komen dus niet meer in aanmerking voor de belastingvermindering.
•
Woonbonus
De federale woonbonus is een belastingvermindering (tegen marginaal tarief) toegekend zowel voor de kapitaalaflossingen als de intresten betaald voor een hypothecaire lening gesloten vanaf 2005 maar vóór 2014 voor de financiering van de eigen en enige woning die uiterlijk in 2015 een niet-eigen woning geworden is, omdat ze niet meer wordt betrokken door de belastingplichtige. De toepassing van de federale woonbonus is vandaag dus zeer beperkt. Ook de federale woonbonus is afgeschaft en uit de aangifte verdwenen. De intresten geven niet langer recht op enig federaal fiscaal voordeel. De kapitaalaflossingen komen wel nog in aanmerking voor de belastingvermindering voor langetermijnsparen (= vermindering tegen 30 procent en toepassing van fiscaal aanvangsbedrag van de lening). Hetzelfde geldt voor de betaalde premies van de levensverzekering die de hypotheek waarborgt. Als enige federale vermindering overleeft de belastingvermindering voor langetermijnsparen dus de nieuwe aangifte, toch voor leningen gesloten vóór 2024 (rubriek II 1 en 2 van vak IX).
© Jef Wellens
•
Bouwsparen
De federale belastingvermindering voor bouwsparen is een belastingvermindering (tegen marginaal tarief) toegekend voor kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies met betrekking tot een hypothecaire lening in principe gesloten vóór 2005, voor de financiering van de enige woning die ooit de eigen woning was, maar die uiterlijk in 2015 niet eigen woning geworden is. Ook die vermindering kent vandaag nog slechts een beperkte toepassing. Daarom is ze afgeschaft en vervangen door de belastingvermindering voor langetermijnsparen (supra).
•
Overgangsbepaling huwelijksquotiënt
Een oude overgangsregeling tenslotte die geldt voor de kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies m.b.t. hypothecaire leningen gesloten vóór 1989 (!) en die de eventuele nadelige gevolgen van de invoering van het huwelijksquotiënt opvangt, is ook afgeschaft. Het onderscheid tussen leningen gesloten vóór en vanaf 1989 wordt daarom niet meer gemaakt in de nieuwe belastingaangifte.
Opgelet, de sanering van vak IX (woonleningen) geldt enkel voor de federale voordelen, voor de niet eigen woning. Aan de gewestelijke voordelen voor leningen voor de eigen woning – gewone en bijkomende vermindering voor interesten, woonbonus en bouwsparen – is niet geraakt, uitgezonderd dan de afschaffing van de Waalse voordelen voor nieuwe leningen gesloten na 2024 (infra).
9.
Einde Waalse fiscale voordelen voor woonlening (vak IX)
Ook het Waalse Gewest hervormt zijn vastgoedfiscaliteit voor de ‘eigen woning’ en schaft de Waalse wooncheque (Chèque Habitat) af, samen met de oudere Waalse voordelen, zoals de woonbonus, die nog in overgangsregeling uitzonderlijk kunnen worden verleend. In tegenstelling tot de federale geldt de Waalse sanering, uit respect voor verworven rechten, niet voor alle leningen, nieuwe én lopende, maar enkel voor leningen gesloten vanaf 2025. In de Waalse aangifte is daarom bij de omschrijving van de leningen die recht geven op een fiscaal voordeel telkens “gesloten […] tot 2024” toegevoegd.
Omdat de Chèque Habitat niet meer geldt voor leningen gesloten vanaf 2025, zijn 4 codes geschrapt in de Waalse aangifte.
10.
Einde verhoging gewestelijke woonbonus voor lening van 2015 (vak IX)
In het gewestelijke luik van vak IX gebeurde voor de drie regio’s nog een vormelijke aanpassing. De gewestelijke woonbonus (voor de eigen woning) bestaat enerzijds uit een basisbedrag dat de hele duur van de lening een belastingvermindering oplevert en anderzijds uit een tijdelijke verhoging van dat bedrag, die slechts de eerste tien leningsjaren geldt. Aangezien een woonbonuslening ten vroegste in 2016 gesloten mag zijn om nog recht te geven op de verhoging van de woonbonus, zijn een aantal technische ingrepen gebeurd om de verhoging niet meer mogelijk te maken voor leningen gesloten in 2015, met het schrappen van 6 codes in de Vlaamse aangifte, of om de belastingplichtige duidelijk te maken dat de verhoging nog enkel geldt voor leningen gesloten vanaf 2016, met het toevoegen van telkens 4 codes in de Waalse en Brusselse aangifte
11.
Afschaffing federale én Vlaamse belastingverminderingen (vak X)
De wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 snoeit in verschillende kleinere federale belastingverminderingen en -vrijstellingen. Ook Vlaamse belastingverminderingen gaan op de schop, met het programmadecreet van 20 december 2024. Dat vertaalt zich uiteraard in de nieuwe aangifte, waar het vak X (belastingverminderingen) in omvang quasi halveert.
Vak X (Vlaams Gewest)
aj 2025 aj 2026
Volgende Vlaamse belastingverminderingen zijn afgeschaft en uit de aangifte verdwenen:
•
de belastingvermindering voor dienstencheques;
•
de belastingvermindering voor wijk-werken (de vroegere PWA-cheques);
•
de belastingvermindering voor behoud of restauratie van beschermd Vlaams onroerend erfgoed.
Volgende federale belastingverminderingen zijn afgeschaft en uit de aangifte verdwenen:
•
de belastingvermindering voor de bezoldiging betaald aan een huisbediende;
•
de (overdracht van de) belastingvermindering voor aandelen in een kmo met omzetverlies ten tijde van de COVID-pandemie. De terugname van de vermindering blijft wel mogelijk;
•
de belastingvermindering voor de betaalde premies van een rechtsbijstandsverzekering;
•
de belastingvermindering voor de plaatsing van een laadstation voor een elektrische wagen. De vermindering was al uitgedoofd voor uitgaven gedaan na augustus 2024;
•
de belastingvermindering voor de minderwaarde gerealiseerd bij de verdeling van het vermogen van een private privak;
•
de belastingvermindering voor passief-, lage energie- of nulenergiewoning. De belastingvermindering kon nog slechts in een overgangsregeling worden verkregen, gedurende 10 jaar te tellen vanaf het jaar waarin de woning werd gecertificeerd als energiezuinige woning. De overgangsregeling gold enkel voor belastingplichtigen die zich vóór 2012 contractueel hadden verbonden tot het (ver)bouwen van een energiezuinige woning. Enkel voor woningen gecertificeerd na 2015 gaat dus nog een deel van de vermindering verloren.
•
de belastingvermindering voor aandelen van een erkend ontwikkelingsfonds. De terugname van de vroegere vermindering – een soort fiscale bestraffing als de aandelen niet gedurende minimum 60 maanden in bezit blijven – blijft wel mogelijk. Daarom zijn de aangiftecodes behouden voor de terugname van de vermindering. Vanaf de aangifte van 2030 is de terugname niet meer mogelijk; de termijn van 60 maanden is dan immers verstreken;
•
de belastingvermindering voor elektrische motorfiets, driewieler of vierwieler zoals een quad;
•
de belastingvermindering voor adoptiekosten. De belastingvermindering voor adoptiekosten wordt verleend voor het jaar waarin de adoptieprocedure wordt beëindigd, voor de uitgaven van dat jaar en van de vijf daaraan voorafgaande jaren. Werd de procedure dus beëindigd in 2025 of later, dan kan de adoptieouder de belastingvermindering niet meer verkrijgen, ook niet voor de uitgaven gedaan vóór 2025.
De budgettair belangrijkste federale belastingverminderingen, voor kinderoppaskosten, voor pensioensparen en voor giften blijven wel behouden, zij het dat de vermindering voor giften vanaf deze aangifte is verlaagd van 45 tot 30 procent.
Het Brussels Hoofdstedelijke Gewest schaft, in navolging van het Vlaamse Gewest, vanaf aanslagjaar 2027 het belastingkrediet voor dienstencheques en de belastingvermindering voor PWA-cheques af. Dus die Brusselse voordelen zullen volgend jaar uit de aangifte verdwijnen.
12.
Afschaffing vrijstellingen voor zelfstandigen (vakken XVII & XVIII)
De wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025 schaft ook een aantal vrijstellingen af die van belang zijn voor zelfstandigen. Volgende federale vrijstellingen werden afgeschaft en zijn uit de aangiftevakken XVII en XVIII verdwenen:
• de vrijstelling voor stage in de onderneming. Bijna 20 jaar lang kregen ondernemers (met winst) en ‘vrije beroepers’ (met baten) een stagebonus (in Vlaanderen omgedoopt tot ‘premie werkplekleren’) in ruil voor het opleiden van jongeren die in het kader van hun alternerende opleiding een praktijkopleiding doorlopen in de onderneming. De winst of baten van de ‘werkgever’ die dergelijke stagiair opleidt, wordt vrijgesteld ten belope van 40 procent van de bezoldiging betaald aan de stagiair. Vanaf deze aangifte kan die vrijstelling dus niet meer worden gevraagd. • de vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon. Kleine ondernemingen die extra personeel aanwerven, zien in principe ook een deel van hun winst of baten vrijgesteld. Maar door de lage loongrens werd de vrijstelling in de praktijk nog nauwelijks toegekend. Daarom is ze afgeschaft vanaf deze aangifte. De terugname van de vroegere vrijstelling (bij afname van het personeelsbestand) blijft wel nog mogelijk tot en met aanslagjaar 2026. Volgende vrijstellingen zijn eveneens afgeschaft, maar laten (nog) geen sporen na in de aangifte:
• de vrijstelling van de meerwaarde gerealiseerd na augustus 2025 op bedrijfsvoertuigen, zoals vrachtwagens, taxi’s, autocars…;
• de vrijstelling voor bijkomend personeel aangeworven na augustus 2025, voor de uitvoer en integrale kwaliteitszorg. Aanwervingen vóór september 2025 geven nog recht op de vrijstelling. Daarom is de vrijstelling nog opgenomen in de huidige aangifte en zal ze pas vanaf volgend jaar uit de aangifte verdwijnen. De terugname van de vrijstelling (wanneer het personeel niet meer wordt tewerkgesteld), blijft wel onbeperkt in de tijd mogelijk;
• de vrijstelling voor sociaal passief voor bezoldigingen toegekend na september 2025. De spreiding van reeds toegekende vrijstellingsbedragen en de eventuele terugname van die bedragen als winst of baten, blijven van toepassing volgens de huidige regels. De vrijstelling voor sociaal passief dooft zo geleidelijk uit. De vrijstelling zal gezien haar spreiding een laatste keer kunnen worden gevraagd in de aangifte van 2030.
De federale fiscale sanering van het voorbije jaar is een stijlbreuk met het verleden en roept een jaarlijks aanwassende aangifte een halt toe. Maar van een big reset is vooralsnog geen sprake. 780 codes blijven een voldoende aantal om in te (ver)dwalen.
